Lezing Bond van Zangverenigingen

19 maart 2011

Doel:

  • het nagaan van de plaats van muziek en zang in de Bijbel,
  • een verwoording van het hoofddoel van zingen,
  • de verantwoordelijkheden van betrokkenen en de beoordeling van zangstukken.

DES BIJBELS WIJS, DES HEEREN EER

Inleidend
Ongedacht mag ik hier een inleiding over zang en muziek verzorgen. Boven mijn referaat staat: Des Bijbels wijs, des Heeren eer. Zo’n titel klinkt erg archaïsch. Wat wordt daar nu mee bedoeld? Met een titel wil je een inleiding in één korte zin samenvatten. We kunnen de titel ook wat moderniseren: als ons doen en laten conform de Bijbel is, strekt het ook tot eer van de grote Bijbelauteur. Als het zingen naar Bijbelse wijze (aanwijzing) is, wordt de Heere daardoor verhoogd.

Het werk van onze zangverenigingen is naar kinderen, jongeren en ouderen toe een belangrijk werk. Er is zo veel vervelende muziek dat we dit werk vanuit de kerk alleen maar kunnen onderstrepen. In deze inleiding willen we het hoofddoel van zingen nog weer eens onder ogen zien. We denken ook na over de vraag wat we nu wel en niet kunnen zingen op onze koren. En dan gaat het over de inhoud van de liederen. Ik hoop met het onderstaande de vergadering van de Bond, onze besturen en koren, en onze kerkenraden van dienst te zijn.

Muziek en zang in de Bijbel
Het is zinvol en leerzaam om na te gaan hoe er over muziek, zang en allerlei instrumenten in het begin van de Bijbel gesproken wordt.

Het ‘zingen’ ligt al op de eerste bladzijde van de Bijbel. Want Job zegt als het gaat over de eerste scheppingsdag: Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen en al de kinderen Gods juichten. Het wijst ons op de geestelijke blijdschap van de engelen. Zij hadden geen lichaam en konden als zodanig lichamelijk niet zingen of juichen. Op de dag dat de engelen geschapen werden, lezen we dat zij zongen en juichten.

En zullen Adam en Eva niet gezongen hebben in de staat der rechtheid? We lezen dat niet direct. Wel weten we dat in de val alle goede gaven van de Heere verdorven zijn. De gaven waren en zijn wel goed, maar de mens is niet meer goed. En daarom is er zoveel verkeerd gebruik en misbruik van Gods goede gave. Ook op het gebied van de muziek en zang.

In Gen. 4 lezen we over Jubal: deze was de vader van allen die harpen en orgelen handelen.

Dus Jubal (de zoon van de goddeloze Lamech) was de eerste die omging met harpen en orgelen. Hoe deze muziekinstrumenten er uit gezien hebben, is heel onzeker. Waarschijnlijk in onze ogen heel primitief. Sommigen vertalen harpen ook wel met citers. Deze harpen waren eenvoudige snaarinstrumenten en de orgels niet meer dan simpele dwarsfluiten of rietfluitjes.

In ieder geval zie je daar de cultuur op gang komen. Zijn broer Jabal legde zich toe op de veeteelt en zijn andere broer, Tubal-Kaïn, op de techniek (werker in koper en ijzer). Het is wel opmerkelijk hoe in het geslacht van Kaïn de mensen zich richten op de dingen van de aarde. Want in het geslacht van Seth riep men de Naam der Heeren aan, we zouden kunnen zeggen: zij begonnen met de eerste kerkdiensten.

We weten dat uitvindingen op zich niet zondig zijn; het is maar hoe je er gebruik van maakt. Staat het in dienst van de duivel of in dienst van de Heere… Verder lezen we in Genesis niet veel over zang en muziek.

Hoe was dit bij de heidenvolkeren? In de oude, heidense landen waren ook boet- en klaagzangen, processieliederen, gebeden, hymnen, onderwijzende- en lofpsalmen bekend.

De heidenen hadden ook hun erediensten. Er is geen volk zonder gebed, offers en andere religieuze praktijken. Dat is de ingeschapen Godskennis. Zij kenden de ware God echter niet. Hun Godsbeeld was heel anders, heel aards en heel menselijk. Zij misten de ware Godsopenbaring. Dat viel Israël wél ten deel.

Er is nog wel iets meer zeggen over de heidense cultus-muziek. We kunnen bijvoorbeeld beginnen in het oude Mesopothamië, het land van het oude Babel, zeg maar 3000 – 2000 jaar voor de geboorte van Christus.

In dit gebied zijn een paar klei tableaus gevonden met primitieve harpen en luiten. De muziek stond in dienst van de godheid. Van de volgende 500 jaar is niets bekend.

Van pakweg 1500 – 600 voor Christus weten we in ieder geval het volgende: in Daniël 3 worden ons diverse instrumenten beschreven:

Ten tijde als gij zult horen het geluids des hoorns, der pijp, der cither, der vedel, der psalteren, des akkoordsgezangs en allerlei soorten van muziek, zo zult gij nedervallen en aanbidden het gouden beeld, het welk de koning Nebukadnezar heeft opgericht.

Ook Openb. 18 : 22 leert ons hier iets over. En de stem der citherspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u (Babel) gehoord worden.

Het vertelt ons over de gebruikte instrumenten. Maar ook over het verkeerde gebruik ervan. Het oordeel is over Babel voltrokken.

Hoe was dit in Syrië? Hier lagen de steden Tyrus en Sidon. Wat Jesaja in zijn profetie over Tyrus zegt is niet zo vleiend. Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergeten hoer; speel wel, zing veel liedekens, opdat er aan u gedacht worde. (Jes. 23 : 16). Tyrus was een handelsstad waarin de kunst ontaardde. Het was een stad van amusement. De muziek werd vooral door vrouwen en meisjes beoefend. Zij dansten op de slaginstrumenten. Daarnaast gebruikten ze lieren, hobo’s en luiten.

Nog iets over de muziek in Egypte. Hier was de muziek vooral in combinatie met de offers. De muziek was waardig en ingetogen. Zangers en dansers vertoonden zich waardig en rustig. Men gebruikte harpen, klarinetten en fluiten.

Direct na de bevrijding van het volk Israël uit Egypte lezen we van Mirjam. Nadat Farao met zijn leger is verdronken, neemt zij een trommel in haar hand. De vrouwen volgen haar na met trommels en reien. Ze hebben aan de Rode Zee gezongen. Iets later lezen we van de zilveren trompetten, Num. 10 : 1 – 10.

Van de genoemde muziekinstrumenten moeten we niet te grote voorstelling hebben. De instrumenten waren voor eenstemmige begeleiding geschikt. Men kende nog geen akkoorden. De zang was niet meerstemmig, zoals bij onze koren. De instrumenten ondersteunden de zangstemmen. Waarschijnlijk werden ze niet ‘los’ gebruikt, maar veelal in combinatie met zingen.

De harp en de lier zijn snaarinstrumenten. De harp is driehoekig van vorm en de grootste had 20 snaren. De lier had een ovale vorm. De cither was een soort luit, met hogere tonen. De namen worden door elkaar gebruikt. Voor lier en harp werd ook het woord psalter gebruikt.

De vedel is de voorloper van de viool. Het is een strijkinstrument.

Vervolgens iets over de blaasinstrumenten. De fluiten hadden een pijpvorm. Het is de voorloper van de latere orgelpijp. De hobo en klarinet zijn doordringend van klank, zelf wat schel. De hoorn of de bazuin is hetzelfde als de ramshoorn. Trompetten hadden een gebogen vorm. De ramshoorn (= bazuin) was recht en lang van vorm. Het liet een doffe toon horen. Het werd gebruikt om signalen geven. Denk aan de 300 bazuinen bij Gideon. De trompet was van zilver. Hierop bliezen alleen de priesters.

Daarnaast waren er nog slaginstrumenten, zoals de handtrommel (een tamboerijn met schelletjes), de bekkens (= cymbalen), klappers, de ratels (gebruikt door melaatsen) en de schellenboom.

De organisatie van de tempelkoren
We zingen zo vaak: Hoe lief’lijk, hoe vol heilgenot, zijn mij, o legerscharen God, Uw huis en … tempelzangen. We willen iets horen over de tempelzang. Als het volk meer en meer een natie wordt, zien we een centrale eredienst ontstaan.

Eerst was dat de tabernakel, later de tempel. Bij de tabernakel hoorden de twee zilveren trompetten. Hiermee werden signalen afgegeven: voor het optrekken van het volk, bij een aanval van de vijand, het verzamelen van de oudsten, of het verzamelen voor de eredienst. Ook de ramshoorn of de bazuin (zeg maar: trompetten) speelde een belangrijke rol: ze kondigde het jubeljaar aan, ze klonk na de verzoening op de Grote Verzoendag, ook bij de voorbereiding van de sabbat, de bazuin klonk bij de inname van Jericho, bij Gideon, bij het vervoer van de ark naar Jeruzalem. De bazuin bleef buiten het tempelorkest. Alleen de priesters hanteerden deze trompetten.

Niet alle muziek was direct verbonden aan de eredienst. Er was in Israël ook ruimte om de spontane gevoelens om te zetten in dans, zang en gejuich. We lezen daar een paar voorbeelden van. Bijv. bij de overwinningen van Jeftha en David.

De tabernakeldienst duurde bijna 500 jaar. Daarna kwam de tempel. David en Salomo gaan het muziekleven voor de eredienst ordenen. Zangers en speellieden gaan hun vaste plaats innemen. Heeft David dit trouwens zelf bedacht?

Alle ordeningen, dus ook die van de zang en muziek, zijn hem door de Heilige Geest ingegeven. David heeft dit doorgegeven aan Salomo en deze heeft dit concreet uitgevoerd. Zo behoort de tempelmuziek tot de heilige handelingen. Hiermee behoort de tempelmuziek tot de ceremoniële wetgeving. Ook de tempelmuziek was schaduwachtig, het wees ergens heen!

We moeten dus vooral letten op de geestelijke strekking. We noemen drie zaken:

  1. De Levieten behoorden tot het volk van God. Zij waren bedreven en bekwaam om te zingen. Dat wijst ons heen naar het volk van God van alle tijden en plaatsen: En niemand kon dat gezang leren, dan de 144.000, die van de aarde gekocht waren. Openb. 14 : 3. Dat is de Kerk met hoofdletter.
  2. Muziekinstrumenten zetten de zang extra luister bij. In de tempel waren ze tot ondersteuning van de zangstemmen. Een type van het zingen van de Kerk met geestelijke vreugde. Zij zingen de Heere met geestelijke blijdschap in hun hart.
  3. De kleding van de Levieten was fijn linnen, wit van kleur. Een beeld van onschuld en van een oprechte wandel. De Kerk van NT is door de gerechtigheid van Christus als een onberispelijke maagd, mensen in wier mond geen bedrog is.

De ceremoniële zaken stopten met de komst van Christus. De tempeldienst heeft met de komst van Christus afgedaan, dus ook de tempelmuziek. Wij offeren ook niet meer. Sommige willen graag dat het hele tempelorkest weer terugkomst in de christelijke gemeente van vandaag. Dat is dus een misvatting. In onze eredienst behoort het Woord centraal te staan. Het gepredikte Woord en het gezongen Woord. Dus preek en psalmgezang. Daarom wilden de Hervormers de gemeentezang: om het Woord te horen zingen. Muziekinstrumenten hebben dus geen noodzakelijke plaats in de eredienst. Wij moeten niet terug naar de ceremoniën, maar het wezen behouden. Ceremoniën zijn als het plaatje dat de leerkracht laat zien om iets duidelijk te maken. Iets anders gezegd: het is aanschouwelijk onderwijs. De Kerk van het NT moet zich niet richten op de plaatjes, maar op de gekomen Christus en zij moeten Zijn beeld gelijkvormig worden.

We begrijpen hieruit dat we de ceremoniële vorm moeten laten liggen en het wezen er uit mee moeten nemen. Het plaatje laten we achter, maar de gedachte ervan is nog steeds geldig voor de christelijke gemeente. Moeten we daaruit besluiten dat je geen muziekinstrumenten meer mag gebruiken? Nee. Die mogen we gebruiken. Niet in de eredienst, wel in allerlei verbanden naast de eredienst. De Schotten zijn nog wat strikter dan wij, zij plaatsen zelfs het orgel buiten de kerk.

Calvijn schrijft over het gebruik van muziekinstrumenten het volgende: ‘Schoon nu de uitvinding van muziekinstrumenten meer dient tot vermaak en genot dan tot noodzakelijk gebruik, zo moet ze toch niet geheel overbodig geacht worden, en veel minder verdient ze om veroordeeld te worden. Wel moet het genot veroordeeld worden als het niet met de vreze Gods is verbonden.’

We zien een duidelijke ontwikkeling naar de tempelmuziek. Denk aan 2 Sam. 6 en 1 Kron. 13. Bij de opvoering van de ark naar Jeruzalem riep David alle musicerende Levieten bij elkaar. En David en het ganse huis Israëls speelden voor het aangezicht des HEEREN met allerlei snarenspel van dennehout, als met harpen en met luiten en met trommels, ook met schellen en cimbalen. Er werd gezongen, cymbalen gaven het ritme aan, snaarinstrumenten zorgen voor de melodische begeleiding. Er was geen meerstemmige muziek, dat kwam pas veel later. Alzo brachten David en het ganse huis Israëls de ark des HEEREN op, met gejuich en met geluid der bazuinen.

Direct na de plaatsing van de ark regelt David het Levietendom. Daar horen ook de zangers bij. 1 Kron. 15 vermeldt ons wie er op welke instrumenten speelden. En hij stelde voor de ark des HEEREN sommigen uit de Levieten tot dienaars, en dat om de HEEREN, de God Israëls, te vermelden en te loven en te prijzen, 1 Kron. 16 : 4. David stelt een vast dagelijks rooster in. Asaf en de zijnen worden de zangers. Ze hanteren cymbalen, luiten, harpen en trompetten. David zelf zorgt voor de woorden. Het volk reageerde met het zeggen van amen en halleluja.

Van David is de ordening van zangers en de hele tempeldienst, 1 Kron. 25. David heeft veel in zijn leven met muziek te maken gehad. Als herdersjongen speelde hij op de harp, maakte en zong hij psalmen; als jongeling speelde hij op de harp voor Saul om hem tot bedaren te brengen; als koning heeft hij de ark laten halen, gepaard met muziek; als oude koning gaat hij de tempelmuziek regelen. Die ordening van de tempelmuziek is niet door hem zelf bedacht. Deze ordening is hem ingegeven door de Heilige Geest. David was koning , maar ook profeet. Geen hobby of eigen bedenksel. Maar de tempelmuziek hoorde tot de heilige handelingen.

Hoe regelde David het verder voor de tempel? Uit de Levieten stelde hij de muzikanten aan. Maar liefst 4.000 Levieten werden tot lofzangers aangesteld. Binnen deze grote groep stelde David een bijzondere groep van zangmeesters aan die de anderen moesten leiden en onderwijzen. Dat waren er 288. Hoe kwam David aan dit aantal?

David stelde drie hoofden = opperzangmeesters: Asaf, Heman en Jeduthun (drie bekende namen). Jeduthun is dezelfde als Ethan. Wat was hun opdracht? Ze moeten met harpen, luiten en cimbalen… spelen? Nee: profeteren! Dat is: onderwijzen. Profeteren doe met woorden. Hier zien we dus de ondergeschikte functie van de instrumenten. Het gaat om de woorden. Zie vers 1. Deze mannen waren ook bekwaam voor dit werk. Ze hadden dus muzikale gaven en die moeten ze gebruiken om het volk te onderwijzen.

In vers 2, 3 en 4 horen we de kinderen noemen van deze drie opperzangmeesters: Asaf 4, Jeduthun 6 en Heman 14 kinderen. Deze drie vaders leiden hun kinderen op in de dienst van God. In de zangdienst. 4 + 6 + 14 = 24 totaal. Deze 24 personen moesten om beurten dienen.

Welke tijd van het jaar ze moesten dienen, werd beslist door het lot. Zij maakten de 24 klassen. Iedere klasse deed twee weken dienst. Het jaar in Israël telde 48 weken. Ieder van die 24 personen kregen ieder 11 mannen naast zich. 24 x 12 = 288 leidinggevenden. Dat waren de meesters. Daarnaast waren er in iedere klasse leerlingen, de overige Levieten. Alles bij elkaar 4.000 (1 Kron. 23 : 5).

Zo werden deze mensen dus gesteld tot het gezang van het huis des Heeren. Muziek dient zich te richten op God. Tot de dienst van het huis Gods. Deze zangers zongen in en door de kracht des Geestes, en daarin wordt God verheerlijkt. David maakte de psalmen – zij voerden ze uit.

Er waren dus 288 meesters = docenten = die anderen leerden de psalmen zingen en verstaan. Je kunt er van leren dat dirigenten moeten werken aan kwaliteit, maar het is ook hun taak iets te zeggen over de woorden.

Vers 1 leert ons: bekwaam tot het werk. Ze moesten kennis hebben van de melodieën, van het repertoire, er werd van hen vakkundigheid gevraagd, eisen gesteld aan compositie en stijl, muzikale regels handhaven. Vers 2 zegt ons om geleerd te zijn in het gezang des Heeren. Dat wijst op de bevindelijke kennis van de woorden.

M. Henry wijst ons op het ceremoniële: ‘Niemand zal thans zulke concerten in de eredienst van God willen brengen. Maar zij, die zulke concerten voor hun eigen vermaak willen hebben, moeten zich verplicht rekenen om die vrij te houden van alles wat naar onzedelijkheid of heiligschennis zweemt’. Henry zegt ook: ‘Laat ons leren één van ziel en één van mond God te verheerlijken, en dat zal het beste en schoonste concert wezen’.

Het zingen in het Nieuwe Testament
Wat blijvend voor alle tijden is: in al onze gezongen of gespeelde muziek dienen we de eer en heerlijkheid van God te bedoelen. Het is goed om even in te gaan op twee bekende teksten uit het Nieuwe Testament. We lezen in Ef. 5 : 19: Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heere in uw hart.

Paulus waarschuwt om niet dronken te worden in de wijn. Dat levert wartaal op. Maar wordt vervuld met de Geest. Dus geen vleselijke lusten, maar geestelijke vermakingen. Eén van die geestelijke vermakingen is het gezang.

Zingende en psalmende. Op Wie richt het zich? Op de Heere. Op welke wijze? Met tong en mond en instrumenten, én in uw hart: met uw hart, met uw binnenste, uw wezen.

De kanttekening wijst ons er op dat deze drie soorten van geestelijke gezangen tot één einde dienen, namelijk om de geest te vermaken. Ze geven dan de volgende uitleg aan deze drie benamingen:

  • psalmen: allerlei geestelijke gezangen met stem en snarenspel;
  • lofzangen: dankzegging tot God of lofdichten van Gods genade jegens ons;
  • geestelijke liederen: zulke dichten waarin allerlei geestelijke leringen begrepen zijn.

Ze wijzen erop dat deze benamingen uiteindelijk grotendeels synoniemen zijn en dat ze alle drie slaan op de Psalmen van David. We mogen er dus geen klankexegese van maken, zo van: de psalmen uit de Bijbel en voor de rest het vrije lied. Chr. Ingelse in het boek ‘Nieuw handboek voor de kerkorganist’ ziet in de lofzangen en geestelijke liederen wel de hymnen uit de vroeg christelijke kerk.

En ‘zingen en psalmende in het hart’ wil dan zeggen: niet alleen met tong en instrument, maar met het hart.

Dit horen we ook terug in Kol. 3 : 16: hier beschrijft Paulus het doel. Hoe moeten we de ‘psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen’ aanwenden? Om elkander te leren en te vermanen (= onderwijzen). Het is opmerkelijk dat Paulus deze tekst plaats in het kader: wordt vervuld met de Geest en het woord van Christus wone rijkelijk in u.

De kanttekening vertolken hier de opvatting van Calvijn. Calvijn wijst er op dat al onze woorden en gesprekken, maar ook ons het zingen gééstelijk moet zijn. En dan richt op het Woord van Christus en naar de zin en mening van Zijn Geest. Immers, de Heere onderwijst nooit buiten Zijn Woord en Geest om. En om zuiver onderwijs te geven moeten de liederen ook zuiver van inhoud zijn.

Zingende met aangenaamheid in het hart. Dat wijst niet op een goed gevoel, een goede gesteldheid in het gemoed. Aangenaam is hier vooral wat voor de Heere aangenaam is, en dat is een Hem toegewijd en een dankbaar hart.

Het doel van zingen, verwoord door van Lodenstein en à Brakel
Van Lodenstein (1620 – 1677) heeft zich als man van de Nadere Reformatie bewogen op veel terreinen van het leven. Hij heeft ook gedichten gemaakt. Deze verzen werden gezongen. In de voorrede van zijn gedichtenbundel ‘Uyt-spanningen’ spreekt hij de ‘Christen Sangers’ aan: ‘Het is merkwaardig te merken, wat op des mensen hart in het algemeen vermag de Dicht- en de Zang-kunst. Het maakt de bewegingen wonderlijk gaande (a), en voert door dat middel de zaak zelf diep in het hart (b). Het schijnt dat het redelijk schepsel uit de aard in maat en orde een genoegen heeft (c).’

Het zingen heeft bij van Lodenstein een grote betekenis. Zang werkt iets uit (a). Het is een middel (b). Het is een scheppingsgave (c). Van Lodenstein is er van overtuigt dat de Heere zang en dichtkunst gebruikt. Waarom? Om de mens op zijn plicht te wijzen. Om aan de mens Gods rechtvaardigheid, grootheid en heerlijkheid te tonen en Zijn wonderlijke daden te melden.

Van Lodenstein wijst er op dat ook hier de vijand, de duivel, God na-aapt. Deze maakt ook gebruik van de zang. En heeft hij hiermee niet een groot veld gewonnen in de wereld?

De zanglustigen kunnen bij van Lodestein in de leer! Het is goed dat zowel zangbesturen en kerkenraadsleden, als zangliefhebbers daar nota van nemen.

Er waren in zijn tijd bijeenkomsten van christenzangers. Men zong en sprak over de inhoud. Deze vorm kennen wij nu niet meer; wij hebben onze geregelde repetitieavonden. Aan hen wil hij wat onderricht geven. Hij noemt in datzelfde voorwoord een aantal verrassende en behartigenswaardige zaken.

Als de hoofdles noemt hij het Gode zingen in de Geest, Kol. 3 : 16. En hoe kan dat bereikt worden? Hij maakt dit concreet.

  1. Het zingen moet gepaard gaan met zuchten en bidden tot God, persoonlijk of gemeenschappelijk. Dus: hoe goed is het om onze repetitieavonden te beginnen met gebed.
  2. Het moet gepaard gaan met aandacht, opmerking en eerbied. Men mag er niet in gestoord worden. De les voor ons: wees geconcentreerd, praat of lach niet onder het geestelijk lied.
  3. Het doel van het zingen is elkaar stichten; en of de Heere er ons iets door leren wil. Met de vraag: praten wij wel eens na over de inhoud van de gezongen verzen?
  4. Het zingen moet men niet te veel afmeten aan de regels van de kunst. Ook voor ons actueel: waarom zingen we, willen we alleen maar muziek op hoog nivo presenteren?
  5. Het zingen dient ordelijk toe te gaan. Toon en maat moeten in ieder geval gehouden worden. En: wie zal dat niet onderstrepen?

Het is bekend dat W. à Brakel ook iets over zingen heeft geschreven. Wie van ons zou er een omschrijving, een definitie van zingen kunnen geven? Zou dat lukken? Wat zou daar uit komen? De beroepsmusicus komt wellicht met een beschrijving waarin de nadruk valt op allerlei muzikale termen en eisen. De gewone zangliefhebber weet met deze vraag misschien niet goed raad.

Brakel wel (1635 – 1711). Hij geeft een treffende definitie: ‘zingen is een godsdienstige oefening, waarbij een natuurlijk mens op natuurlijke wijze bewogen wordt, maar waarbij een geestelijk mens op geestelijke wijze bewogen wordt’.

De natuurlijke mens (zonder genade!) wordt ontroerd op het horen van die prachtige melodieën/akkoorden en klanken. Misschien wel tot tranen toe. Toch is het alleen maar de uiterlijke muziek. De muziek als een schone gave van God kan ontroeren. En dat mág er zijn. Maar bij de geestelijke mens (met een nieuw levensbeginsel!) gaat het dieper. Voor hem/haar krijgen de woorden werkelijke betekenis. Stem en muziek zijn slechts middel. Het doel moet verder liggen: zingende de Heere met aangenaamheid in het hárt. Dan beantwoordt zingen werkelijk aan zijn doel.

We moeten inderdaad steeds weer bedenken dat bij het zingen telkens de Naam van de Heere wordt genoemd? En dat zingen heel vaak bidden is.

Misschien zit het met het ‘wat zingen wij’ wel goed. Maar dan nog een vraag: ‘hoe zingen wij’? Met mond en hart? Gods volk mag dat wel eens doen. Brakel zegt: zingen is het werk van de engelen en de heiligen. Wat moeten we straks in de hemel doen, als er op aarde nooit een begeerte is om tot lof van de Heere te zingen? Voor Gods Kerk geldt: ‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheid!

Verantwoordelijkheden van betrokken
We willen ook nadenken over de verantwoordelijkheden van de betrokkenen rondom onze zangverenigingen. Onze koren zetelen onder de Bond van zangverenigingen. De Bond heeft de verantwoordelijkheid om de principiële lijnen hierboven beschreven te bewaken. Uit informatie is mij gebleken dat de Bond als algemene richtlijn stelt: teksten mogen niet in strijd zijn met de Statenvertaling.

We moeten niet vergeten dat er ook een verantwoordelijkheid van het bestuur ligt in de te zingen stukken. Bestuur en kerkenraad moeten goed op elkaar afstemmen wat wel en niet gewenst is. Laten we er van uitgaan dat dit meestal warme harmonie is, maar soms zijn er van die ijzige akkoorden… Je hoort wel eens van die vervelende mag-welles-nietes situaties.

Zou de oorzaak kunnen zijn dat een bestuur wat te veel afgaat op de klank van het stuk, en de kerkenraad op de tekst? Besturen moeten zich afvragen wat voor hen doorslaggevend is.

Hoe moeten we de verantwoordelijkheid van de dirigent omschrijven? Hij/zij levert meestal de muziek aan en dus ook de tekst. Maak als bestuur duidelijk wat de kaders zijn. Inhoudelijk en muzikaal. Stel dat de dirigent een stuk maakt en het wordt afgekeurd, dan is er de teleurstelling bij de dirigent. Hij/zij deed zijn best en het was juist zo mooi... Laat hem dan bijvoorbeeld eerst de tekst keuren en dan de muziek er bij maken. Maak als bestuur en dirigent daarover goede afspraken. Geef hem/haar een kader mee.

De verantwoordelijkheid van de kerkenraad, die is er ook. Want de zangbesturen vallen onder de kerkenraden. Kerkenraden behoeven niet altijd te zeggen: ‘wij keuren goed wat de Bond goedkeurt’. Ze hebben immers hun autonomiegebied. Hun verantwoordelijkheid zou ik willen nemen uit het Formulier om ambtsdragers te bevestigen. Zij hebben naarstiglijk toezicht of een ieder zich behoorlijk gedraagt in o.a. belijdenis. Daar valt ook de inhoud van liederen onder. Ze moeten ook toezicht houden opdat er geen vreemde leer wordt voorgesteld. En wacht houden tegen de wolven die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Ze moeten alle leringen verwerpen die tegen de volkomen leer der zaligheid strijden. De kerkgeschiedenis heeft geleerd dat juist liederen allerlei dwalingen in een kerk binnen brachten. Eén van de oorzaken van de Afscheiding waren de on-Schriftuurlijke gezangen.

Samenvattend, laat het dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn. Daarbij vooral het hoge doel van ons zingen voor ogen houden.

Aspecten bij de beoordeling van zangstukken
Diverse kerkenraden hebben een ‘keuringscommissie’. Zo’n commissie doet er goed aan om een aantal richtlijnen te hanteren. Je zou kunnen zeggen: een aantal aspecten waarop gelet wordt bij de keuring van de zangstukken. Ik wil dat concretiseren.

  1. De gegevens van de dichter (achtergrond!), bewerker en componist dienen vermeld te worden.
    We moeten toch weten uit welke koker het komt! Hoe staat de maker tegenover Schrift en belijdenis? Vanzelf is het waar dat een remonstrant ook best goede dingen kan zeggen, en een muzikale kruk kan ook nog wel eens een goed stuk componeren. Maar het gaat hier over de algemeenheid.
  2. Geen algemene verzoeningssfeer in de liederen.
    In liederen met verzoening voor een ieder wordt vrijwel altijd op een algemene wijze gesproken over het verlossingswerk van de Heere Jezus. Voor wie stierf Hij? Dan horen we: voor mij of voor u. Voorbeeld: ‘Ja, Jezus stierf voor ieder op Golgotha; Zijn kruisdood bracht verlossing, voor elk gena.’ Maar ze brengen de zanger wel op een dwaalspoor! Al zingende worden de gereformeerden van de zaligmakende leer afgetrokken en een valse leer ingevoerd. Hendrik de Cock verzette zich er tegen; en wij zijn per slot van rekening kinderen van de Afscheiding.
  3. Letten op éénzijdigheden, in het licht van de hele Bijbelse leer.
    We moeten altijd proberen om een Bijbels evenwicht te bewaren. In de keuze van psalmen, gezangen, lettend op de drie stukken van de Heidelberger Catechismus.
  4. Laat er overeenstemming zijn met de bevíndelijke gang van Gods Kerk.
    Wordt in een lied de beleving van God kinderen Bijbels verwoord, en hoe Gods Geest dit leert in het hart?
  5. Voorkom veel herhalingen in de tekst.
    Hier over schreef ds. J.M.D. de Heer in de Saambinder het volgende ‘Psalm 117 eindigt met Hallelujah! Een inhoudrijk woord. Het is een genadewonder als iemand dat vanuit de beleving van het hart mag zingen. Maar waarom wordt het woord soms wel vier of acht keer herhaald? Heeft de Heere dat opgedragen, of hebben mensen dat bedacht? Als de Heere het woord één keer aan het einde van de psalm liet zetten, welk recht hebben wij om het acht keer te zingen? In de Bijbel komt het heilige woord Hallelujah 28 keer voor, in een evangelische opwekkingsbundel 315 keer! In de Bijbel staat het woord telkens één keer, in verschillende liederen wordt het er tussendoor gestrooid, als krenten in de pap. Mag dat met zo’n heilig woord?’
  6. Van de Psalmen bij voorkeur de gewone berijming.
    Daarbij onderkennen we natuurlijk dat onze Psalmberijming soms behoorlijk de invloed Verlichting met zich draagt! Zeker. De berijming van Datheen was is zuiverder. Dat geldt ook voor de berijming van Marnix van St. Aldegonde, en van ds. C.J. Meeuse nu.
    En allerlei bewérkte Psalmen? Daar moeten we erg voorzichtig mee zijn. Dingen worden soms weggelaten, soms zie je een toevoeging. Voor we het weten verminken we de psalmen. Ernstige ingrepen kunnen soms leiden tot halve waarheden. Het kan soms ook een rage zijn.
  7. Laat er een streven zijn naar het herkenbare in melodie en tekst.
    Mensen moeten het kunnen volgen. Zorg voor herkenbaarheid. Ik vind het altijd een mooie opzet in een programma als de volledige tekst staat afgedrukt. Mensen kunnen meelezen. Het gaat toch om de inhoud? Als een koor alleen zingt, is lang niet alles aan woorden te volgen.
  8. Bij twijfelgevallen eventueel een vers of enkele woorden weglaten of veranderen.
    Er zijn soms passages die lijnrecht strijden met Gods Woord of die in strijd zijn met het geheel van Gods Woord. Soms heb je mooie coupletten in gezangen, terwijl er één of twee ineens weer niet voluit Bijbels zijn. Moet je dan zeggen: ach laat maar, of vervang je iets?
  9. Een bescheiden muzikale omlijsting (niet al te druk en beweeglijk).
    Bij zangrepetities en –uitvoeringen moet het niet concertachtig worden. Het gevaar is groot dat we opgaan in de muziek. Er is zo gemakkelijk het gevaar om te ‘scoren’. Eenvoud is vaak het kenmerk van het ware. Wel kwaliteit leveren, maar niet al te uitbundig. Laten we maar heel voorzichtig zijn om te zeggen dat we met dat alles de eer van God bedoelen. Uit dat oogpunt zijn er kerkenraden en zangbesturen die liever niet beginnen aan solozang en allerlei ver doorgevoerde wisselzang.
  10. De stukken dienen gezóngen te worden, daarbij geen sentimentaliteit of romantiek.
    Hier ligt anders het gevaar van stemmingmakerij, het creëren van louter sfeer. Je doet dan vrijwel uitsluitend een beroep op het gevoelsleven van hoorders. Natuurlijk mag muziek gevoelens opwekken, maar blijf daarbij nuchter en zakelijk.
  11. Een evenwichtige verdeling tussen de Psalmen en het geestelijk lied.
  12. Zorg voor een meerderheid aan Psalmen, laat het op z’n minst fifty – fifty zijn. Het zingen van gezangen en geestelijke liederen is een aangelegen punt. Dit moet wel bovenaan staan: de psalmen zijn Gods eigen woorden. Nergens kunnen we de Heere meer mee eren, dan met het zingen van Zijn psalmen. Met gezangen kunnen we de Heere nooit zó eren als met Zijn eigen zuivere woorden. Want gezangen zijn altijd mensenwoorden! Zij vertolken. Die vertolking kan meer of minder zuiver zijn. Laten we staan naar de betere vertolkingen. Wat zou daar op tegen zijn? Als kerkenraden hier de vinger bijleggen, hebben ze toch een punt. Dat kun je niet afdoen met ‘kieskeurigheid’ of van ‘moeilijk doen’ of ’het is ook niet gauw goed’.
  13. Belangrijk is om dit alles goed te communiceren met de zangbesturen.
    Het is correct om de reden van afkeuring te formuleren. Wees als kerkenraad open en duidelijk naar je mensen toe. Soms ligt de reden van afwijzing duidelijk, soms moet er even goed op doorgepraat worden.

Afsluitend
Ik wil graag een slotopmerking gaan maken. De belangrijke vraag is altijd weer: kennen wij persoonlijk het gezang des Heeren. Ons hart is door de Heere zo goed gevormd. Immers, we werden geschapen naar Gods beeld. Lijkende op God. Door de zonde is het hart zo misvormd. Misvormd door duizend zonden. Wat een misstanden in het hart en daarom in alle verbanden die er op de wereld zijn. Misvormd is ook onze muziek en de zang. Hoe mooi het ook klinkt, wij kunnen er van nature de lof van de Heeren niet meer mee bedoelen. Maar door het hervormende werk van Gods Geest, komt er een genadige herstelling.

De eerste tonen van het nieuwe leven zijn de klaagtonen. Nooit werd er een zingende baby geboren, wel schreiende baby’s. Van lieverlee gaat het kind leren zingen. In een weg van oefening. Zo gaat de Heere Zijn kinderen het gezang des Heeren leren. Hier is dat nog zoveel vermengd met klaagtonen en dissonanten.

Des te dieper de klaagzangen van toon, des te hoger ook de lofzangen van toon zullen zijn. Straks is dat volmaakt, dan blijven er alleen nog maar juichtonen over. Dan zal de Kerk het lied van Mozes en het Lam zingen.

We hopen dat het werk van de koren onder Gods onmisbare en rijke zegen een goede voorgang mag hebben. ‘k Wens alle betrokkenen van harte sterkte toe bij dit belangrijke werk.

H.M. Lobbezoo, oktober 2011.

 

BZGG - Molensingel 2 - 3043 KA Rotterdam - 010-4372093 - info@bzgg.nl
Ontwerp, techniek, realisatie en beheer Verrips Digitale Diensten